Afdrukken

 

Het Maarschalkerweerd-orgel in de Maria van Jessekerk te Delft René Verwer 

Op zaterdagmiddag 24 oktober 2009 vond, na een stilzwijgen van zes jaar, in de Maria van Jessekerk te Delft de feestelijke heringebruikname van het Maarschalkerweerd-orgel (1893) plaats. De volgende ochtend werd het instrument tijdens een plechtige eucharistieviering opnieuw ingezegend door mgr. A.H. van Luyn en klonk bij deze gelegenheid de monumentale Messe in Fis, op. 36 van Ch. M. Widor. De werkzaamheden aan het orgel, een piëteitvolle reconstructie naar de oorspronkelijke staat door Elbertse Orgelmakers te Soest, vormden het sluitstuk van de volledige restauratie van deze prachtige Delftse hoofdkerk.

 Foto: Hans Elbertse


Michaël Maarschalkerweerd (1838-1915) bouwde vier drieklaviers¬instru¬menten, waarvan twee reeds in 1983 resp. 1993 werden gerestaureerd (Zwolle, Onze Vrouwebasiliek door Vermeulen/Alkmaar, Concertgebouw te Amsterdam door Flentrop). Het in 1898 gebouwde orgel van de St.-Anthoniuskerk te Rotterdam werd bij het bombardement in mei 1940 vernietigd. De instrumenten te Amsterdam en Delft zijn representatief voor zijn Franse periode, die te Zwolle en Rotterdam kenmerken zich meer door Duitse invloeden.
Binnen het oeuvre van Maarschalkerweerd kunnen drie stijlperiodes worden onderscheiden, die in de publicaties van Jos Laus en Paul Houdijk nauwgezet zijn beschreven. In de jaren 1884-1895, onderdeel van de tweede periode, komt de Franse invloed het sterkst naar voren. Vanaf 1877 doen overblazende fluiten hun intrede, maar voor het bekende ‘vierspan’ Prestant 8’-Salicionaal 8’-Bourdon 8’-Flûte harmonique 8’ op het hoofdwerk, strijkende registers en tongwerken op een zwelbaar bovenklavier, vrijstaande speeltafel, regulateurbalgen etc. is de tijd na het overlijden van Pieter Maarschalkerweerd (1882) pas rijp: Rotterdam, H. Hart (1884), een nooit uitgevoerd plan voor Purmerend, St.-Nicolaas (1885), Oudewater, St.-Franciscus (1887), Sneek, St.-Martinus (1891). Orgels in het Amsterdamse Concertgebouw, Sneek en Delft werden met Barkermachines uitgerust en het mag bekend zijn dat men wat dit betreft in het ‘vochtige Nederland’ de nodige reserve betrachtte. Witte paste slechts bij twee orgels Barkermechaniek toe.
 

Foto: Hans Elbertse


Ondanks het feit dat Maarschalkerweerd in Cavaillé-¬¬Coll een lichtend voorbeeld zag (uit verslagen van Philbert en Veerkamp blijkt overigens een wederzijdse genegenheid) en diverse vernieuwingen en intonatieprincipes overnam, bleef het klankbeeld van zijn orgels ver verwijderd van dat van de instrumenten van de Parijse meester. Belgische makers als Schyven, Forrest en Van Bever bouwden aanmerkelijk meer in de traditie van Cavaillé-Coll.
In 1874 bezocht Maarschalkerweerd – waarschijnlijk voor het eerst – het atelier aan de Parijse Avenue du Maine. Hij was diep onder de indruk van het Cavaillé-Coll-orgel in het Paleis voor Volksvlijt (1875) en onderhield vanaf het midden van de jaren ’80 het instrument van dezelfde maker in de Amsterdamse St.-Augustinuskerk. Wellicht was Maarschalkerweerd te zeer gebonden aan de eisen van het Caecilianisme, die haaks stonden op de Franse traditie.
Na de bouw van de St.-Jozefkerk aan de Burgwal, vanaf 1971 Maria van Jessekerk geheten  (architect E.J. Margry, 1875-1881), verhuisde het vorige orgel (1722, uitbreiding door Beekes in 1838) naar de nieuwe kerk mee, doch vanaf 1890 zocht pastoor G. Broekman contact met de Utrechtse firma. Maarschalkerweerd had zojuist een opdracht voor de bouw van het orgel in Sneek ontvangen en niet lang daarna klopte het Amsterdamse Concertgebouw bij hem aan. Gezien de hoge kosten (ƒ 18.900,-) stelde Maarschalkerweerd voor om het orgel eventueel in twee fasen op te leveren (zoals later in de Utrechtse kathedraal), maar men ging voortvarend te werk en op 25 september 1893 werd het Delftse orgel in volle glorie ingespeeld door Jos. A. Verheijen, organist van de Amsterdamse Mozes en Aäronkerk. Het instrument telde 38 stemmen, verdeeld over drie klavieren en pedaal. Het had een vrijstaande speeltafel, regulateurbalgen voor alle werken, een Barkermachine voor het hoofdwerk, een dubbele windlade voor het hoofdwerk, negen combinatietreden en – uniek in het oeuvre van  Maarschalkerweerd – een volledige batterie d’anches (tongwerken 16’-8’-4’) op het hoofdwerk. Veel tongwerken zijn van de Franse firma Mazure afkomstig, de Bazuin 16’ is van houten bekers voorzien. De prachtige neogotische kas was een werkstuk van het atelier Te Poel en Stoltefus uit Den Haag.
In 1931 werd het orgel ontdaan van de mechanische tractuur en uitgerust met pneumatische kegelladen (zeven jaar eerder was dit ook geschied met het inmiddels Haarlemse Cavaillé-Coll-orgel, dat in 2006 ook mechanisch werd gereconstrueerd). Geheel volgens de tijdgeest voegde men allerlei hulpmiddelen (vrije en vaste combinaties, octaafkoppelingen etc.) toe.
In de jaren ’90 werd de toekomstige adviseur Jos Laus verzocht rapporten te maken en ontstonden plannen om de oorspronkelijke mechaniek te reconstrueren. Het pijpwerk was nog integraal aanwezig. In 1931 waren de toetsomvangen van manualen en pedaal uitgebreid tot g³ resp. f¹, hetgeen in het restauratieplan werd overgenomen. De orgelrestauratie moest echter wachten totdat het interieur van de kerk geheel klaar was. De werkzaamheden namen een aanvang in 2006 en vanaf januari 2009 kon men beginnen met het reinigen van de orgelkas en de herplaatsing van het binnenwerk. Het orgel kreeg twaalf nieuwe windladen (vier voor het hoofdwerk, één voor het Positief, één voor het Récit en zes voor het pedaal), het aantal pijpen bedraagt nu 2.323.

Tijdens het ingebruiknameconcert speelde titulair organist Petra Veenswijk in een tjokvolle kerk composities van Saint-Saëns, Franck, Guilmant en Vierne. Hetzelfde programma is op cd vastgelegd (Ange 1893101). De luisteraar komt zeer onder de indruk van het bereikte resultaat: prachtige grondstemmen en fluiten, een helder plenum, mystiek klinkende strijkers (al neigen de Viola di Gamba en de Voix céleste meer naar een zachtere, Duitse intonatie – het ‘tranchante’ [= snijdend] van de Franse Gambe is hier niet aan de orde), en magistrale tongwerken op hoofdwerk en pedaal.

Foto: Hans Elbertse

Ondanks de Franse invloed zien we diverse Nederlandse elementen in de dispositie. Men zal voor menig Franse compositie een Trompette op het Récit missen (het niet-zwelbare Positief bezit wel een Trompet), op de cd o.a. in het middendeel uit Fantaisie en Ut, Vierne, Carillon de Westminster en delen uit Deuxième Symphonie). Een welkome aanvulling vormt de subkoppel III aan II, waardoor een ‘demi Grand-Choeur’ zeer fraai klinkt (en in de literatuur vaak gevraagd).
Het orgel speelt aangenaam. De speeltafel is ergonomisch goed ingericht, de registers zijn logisch gerangschikt en laten zich gemakkelijk bedienen. Opvallend is de geruisloze Barkermachine (Cavaillé plaatste deze niet zelden achter glas om het geluid te dempen). De organist heeft een goed overzicht over zijn/haar spel.
Vóór de inwijding zagen enkele organisten uit naar de klank van een ‘Nederlands Cavaillé-Coll-orgel’. Dat is het niet en men moet het ook niet verwachten! Maarschalkerweerd maakte instrumenten die de Nederlandse afkomst niet verloochenen, de Franse invloed geeft juist een bijzondere meerwaarde. De Maria van Jessekerk beschikt wederom over een schitterend instrument, waarop overigens ook Duits-romantische muziek uitstekend zal klinken. Een grote huldeblijk voor het werk van de firma Elbertse en adviseur Jos Laus is hier op zijn plaats. Dat velen hiervan getuige mogen zijn.

Dispositie van het Maarschalkerweerd-orgel (1893/2009)


Literatuur:   
J. Laus, H. Elbertse en P. Veenswijk, Het Maarschalkerweerd¬-orgel in de Maria van Jessekerk te Delft (uitgave Maria van Jesse¬kerk Delft, 2009), à € 10,- te verkrijgen in de kerk of via www.veenswijkorgel.tk. De cd (€ 17.50) is eveneens in de kerk of via de genoemde website verkrijgbaar.

Met dank aan Petra Veenswijk voor de hartelijke ontvangst bij het orgel en aan Hans Elbertse voor het fotomateriaal.



KDOV-Blad Lente 2010

 

Restauratie Orgel Elandstraatkerk Den Haag medio 2010 voltooid
2010: een gedenkwaardig jaar voor de Stichting Orgel Elandstraatkerk. Medio dit jaar zal de restauratie van het Franssenorgel zijn voltooid. Binnenkort wordt begonnen met de opbouw van het instrument. Na de aanleg van de kanalisatie zullen windmachine, balgen en laden stap voor stap worden teruggeplaatst.
Uiteraard zal dit feit worden gevierd met een feestelijke ingebruikname op zondag 19 september en enkele orgelconcerten op 24 september door Leo van Doeselaar en op 1 okober door Ton van Eck.
Momenteel wordt nog gewerkt aan een boek dat het verhaal van het orgel zal beschrijven en ook uitgebreider zal ingaan op het werk van de Gebrs. Franssen. Dit boek zal bij de presentatie van het orgel te koop zijn.
(BH; maart 2010; Nieuwsbrief Stg Orgel Elandstraatkerk)

Restauratie orgel Sint Josephkerk Haarlem

Zoals alle instrumenten van tijd tot tijd een grondige opknapbeurt nodig hebben was ook het Adema-orgel in de Sint Josephkerk aan een restauratie toe. Eind 2009 heeft de orgelfirma Adema al het materiaal uit het orgel gehaald en naar de werkplaats in Hillegom vervoerd. Het is de bedoeling dat de restauratie eind dit jaar wordt voltooid. Begin 2011 zal een presentatie¬concert worden gegeven. U hoort daar nog over. (BH; Nieuwsbrief AdK Stichting; februari 2010)
    
Cavaillé-Coll Begijnhofkapel Amsterdam opnieuw in gebruik genomen

Op zondag 14 februari is het Cavaillé-Coll-orgel in de Begijnhofkapel te Amsterdam opnieuw ingebruik genomen. Het orgel uit 1879 is afkomstig uit Verzorgingshuis Sint Bernardus in Amsterdam waar het in 2006 zwaar beschadigd raakte door een brand. Adema’s Kerkorgelbouw restaureerde en reconstrueerde het orgel en plaatste het in het Begijnhof.
(BH; Orgelnieuws; februari 2010)

Rogier-orgel in Gertrudiskerk Bergen op Zoom
De Gertrudiskerk heeft er een nieuwe aanwinst bij: het Rogier-orgel, afkomstig van de Lutherse kerk in Bergen op Zoom. Komt u ook luisteren naar de feestelijke inspeling van dit stukje monumentaal erfgoed?
Het orgel is al vanaf 1863 eigendom van de Evangelisch-Lutherse Gemeente in Bergen op Zoom. Het instrument klonk tot medio 2009 in de Lutherse kerk aan de Faurestraat. De Lutherse Gemeenschap moest toen tot sluiting van het kerkgebouw over gaan, waarna het orgel gedemonteerd werd en in de Gertrudiskerk opgeslagen.

Cultureel erfgoed
De Lutherse Gemeenschap en de gemeente van Bergen op Zoom wilden het orgel, bij uitstek Bergen op Zooms cultureel erfgoed, namelijk voor de stad behouden. Het orgel is daarom in bruikleen gegeven voor diensten, voor orgelconcerten en voor educatie aan de Stichting Nationaal Kerkmuziekcentrum (NKC), verbonden aan de Gertrudiskerk.
Deze Stichting wil de kwaliteit en de verscheidenheid van vocale en instrumentale kerkmuziek in diensten en bij concerten in de Gertrudiskerk bevorderen en promoten. Het bestuur van de Lievevrouweparochie waartoe de Gertrudiskerk behoort stemde van harte in met de plaatsing van het instrument als tweede koororgel in de Gertrudiskerk.

Het Rogier-orgel is het gaafste instrument dat van Rogier bewaard is gebleven. Het werd in 1980/81 door A.H. de Graaf uit Leusden gerestaureerd. Nu de werkzaamheden in de Gertrudiskerk met betrekking tot de nieuwe vloer (nagenoeg) zijn voltooid, wordt het orgel op dit moment door medewerkers van Elbertse Orgelmakers uit Soest in de Gertrudiskerk geplaatst.

Samen met het in de Gertrudis al aanwezige -nu verplaatste- Vlaamse barok-koororgel uit +- 1740 en het grote Ibach-orgel (1863/64), zal het Rogier-orgel deel uitmaken van het bijzondere en monumentale orgelinstrumentarium in de stadskerk van Bergen op Zoom.

Feestelijke gebeurtenis
De inspeling van het Rogier-orgel is een feestelijke gebeurtenis geworden. Het instrument is bespeeld door de beide nieuwe kerkmusici van de Lievevrouwe¬parochie: Janno den Engelsman en Marcel van Westen.
Piet van Kalmthout, achter- achter-achterkleinzoon van orgelbouwer Rogier, organist aan de Nijmeegse studentenkerk, was eveneens kort aan het orgel van zijn voorvader te beluisteren. Behalve door de musici zal is ook door enkele sprekers het orgel op zijn nieuwe plaats bevestigd.
(BH; Uit in Brabant; maart 2010)

 

KDOV-Blad Lente 2010